U hebt of u heeft?

Gepubliceerd door Suzanne Meijles

Is het ‘U hebt betaald’ of ‘U heeft betaald’? Het korte antwoord is: beide vormen zijn toegestaan. Maar wie consequent wil schrijven, kiest voor u hebt. In dit artikel leest je waarom.

 

‘U heeft klinkt beleefder,’ hoor ik vaak van deelnemers in de schrijftrainingen die ik geef. Dat klopt voor een deel. U is tegenwoordig namelijk de beleefdheidsvorm van jij. Toch is er met ‘u heeft’ iets bijzonders aan de hand. Kijk maar eens naar de onderstaande opsomming:

 

                       zijn              hebben                krijgen

1e persoon       ik ben            ik heb                   ik krijg

2e persoon       jij bent          jij hebt                 jij krijgt

3e persoon       hij/zij/het is   hij/zij/het heeft      hij/zij/het krijgt

 

U als tweede of derde persoon?

Nu is de vraag: waar hoort ‘u’ thuis? Hierboven las je al: u wordt nu beschouwd als de beleefde vorm van jij, dus ‘u’ is een 2e persoon. Dat zou betekenen dat u hebt de juiste schrijfwijze is. Maar bij het werkwoord krijgen zie je dat de schrijfwijze van het werkwoord in de 2e en 3e persoon gelijk is.

 

In de Schrijfwijzer geeft Jan Renkema een uitleg hoe dit waarschijnlijk zo gekomen is. Hij schrijft dat het woord u vroeger juist alleen in de derde persoon voorkwam en kwam van Uwe Edelheid (als een soort ‘hij’). Tegenwoordig wordt u meer gezien als directe aanspreekvorm (de beleefde vorm van jij). Bij de meeste werkwoorden levert dat geen enkel probleem op, omdat de werkwoordsvormen van de 2e en de 3e persoon gelijk zijn. Maar bij vergelijking met het werkwoord ‘zijn’, wordt het onderscheid het duidelijkst.

 

Consequent schrijven: u hebt

Simon Carmiggelt schreef geen u hebt maar u isAls je ooit Simon Carmiggelt hebt gelezen, weet je misschien dat hij u altijd in de 3e persoon gebruikte. Heel consequent. Hij schreef bijvoorbeeld ‘Is u ziek?’. Dat doen we nu niet meer. Het gebruik van u is vinden de meeste mensen hopeloos ouderwets. U hebt en u heeft bestaan nog wel naast elkaar, waarschijnlijk omdat ze erg op elkaar lijken, zeker in gesproken taal. Maar als je consequent wilt schrijven, kies je voor de 2e persoon: u bent en dus ook u hebt.

 

Schrijf daarom liever geen zinnen waarin u zowel als 2e als als 3e persoon behandelt:

Als u met vakantie bent en u geen wifi tot uw beschikking heeft,….

 

Bij zinnen waar je slechts één keer u gebruikt, kun je zowel de 2e als de 3e persoon gebruiken:

U heeft gelijk.

U hebt gelijk.

 

 

Taalontwikkeling

Een tweede verklaring waarom u zowel een tweede als een derde persoon kan aangeven, is meer grammaticaal van aard. Vroeger was u een derde of vierde naamvalsvorm van ghi (gij). Als meewerkend of lijdend voorwerp dus. Het is mogelijk dat u vaker als onderwerpsvorm gebruikt werd toen het bewustzijn voor naamvallen kleiner werd. Iets wat nu ook gebeurt met ‘hun hebben’: hun wordt gebruikt als meewerkend voorwerp of bezittelijk voornaamwoord, maar veel mensen gebruiken hun als onderwerp. Dat vinden we nu (nog) fout, maar misschien denken onze achter-achter-kleinkinderen daar heel anders over.

 

 

Je kan of je kunt?

Iets soortgelijks komt voor bij je kunt of je kan. Schrijf je ‘Je kunt je inschrijven’ of ‘Je kan je inschrijven?’. Ook hier geldt: beide vormen zijn correct. Ook hier gaat de vergelijking met spreektaal op: je kunt prima zeggen: ‘Je kan je inschrijven’. Soms geven taaladviesboeken de voorkeur aan bijvoorbeeld ‘je zal’ als er geen persoon wordt aangesproken, maar als er ‘men’ bedoeld wordt. Bijvoorbeeld in “Je zal het maar hebben”.

 

Een overkoepelende verklaring is dat taalgebruikers op zoek zijn naar steeds eenvoudigere manieren van taal. Bij het werkwoord ‘mogen’ is dit al voltooid. We spreken (en schrijven!) voor alle personen ‘mag’: ik/jij/u/hij/zij/het mag. De 3e persoon van mogen, ‘moogt’, wordt al heel lang niet meer gebruikt. Een mooi voorbeeld van taalontwikkeling in de praktijk. De kans is groot dat in de toekomst voor meer werkwoorden maar één vorm wordt gebruikt.

 

© Suzanne Meijles

 

Plaats jouw reactie.